Het blijft een raadselachtig fenomeen, dat Internet. Wat ís het eigenlijk, hoe is het ontologisch te vatten, zoals filosofen dat noemen? Pogingen om de aard van het Internet te omschrijven, beginnen niet zelden met een indeling in twee soorten werkelijkheid: de ‘fysieke’ en de ‘virtuele‘. Waarbij het Internet een plek krijgt in die virtuele ruimte.
Op deze tweedeling valt heel wat af te dingen, maar ze draagt in elk geval een heldere en toetsbare hypothese in zich: Internet cq de onlinewereld, is anders dan de gewone fysieke wereld, kent een andere dynamiek en andere wetmatigheden. Zo’n hypothese nodigt uit tot het onderzoeken en definiëren van wat er dan precies anders is, en op welk vergelijkend niveau we dat moeten plaatsen: materiële infrastructuur? machtsverhoudingen? groepsprocessen? waarde(n)productie? symbolische werking? ruimte-tijdconstellatie?
Tot zo’n systematische vergelijking komt het echter zelden. De tweedeling fysiek-virtueel wordt meestal niet opgevat als hypothese maar als feit, losjes gebaseerd op de gedachte fysiek = tastbaar, virtueel = ontastbaar.
Wat is dan de aard van dit ontastbare? Twee mogelijkheden. Ten eerste de verschuiving van ontastbaar naar onaantastbaar: onbereikbaar voor de menselijke kennis, onvergelijkbaar met alles wat we weten van de fysieke wereld. ‘Virtueel’ verwijst dan naar het onwerkelijke, het buitenwerkelijke – zo anders, zo buiten alles wat wij kennen, dat elke referentie, elke vergelijking met het bekende zinloos is. Het is moeilijk om er dan nog iets verstaanbaars over te zeggen. De radicalen doen er dan ook het zwijgen toe; de rekkelijken kunnen (relatief) nieuwe verhalen maken. Theologische, mystieke of science fictionverhalen – ze hebben zeker bestaansrecht, maar over de ontologie van het Internet vertellen ze weinig.
Een tweede mogelijkheid is de verschuiving van ontastbaar naar imaginair, denkbeeldig. De wetten van het virtuele worden dan teruggebracht tot een kwestie van psychologie: cyberspace zit tussen je oren. Je ervaart slechts effecten van je eigen specifieke mind-set, er is niets objectiefs of algemeens meer over te zeggen. Ook dat levert weinig op voor de ontologie van het Internet.
Het inzoomen op de aard van het virtuele/ontastbare lijkt te gebeuren met een te grof instrument. Het beeld is óf te groot – het virtuele opgeblazen tot het mystieke buitenwerkelijke – óf te klein – het virtuele ingekrompen tot het psychische. Het probleem zit ‘m in de statische, eendimensionale tweedeling fysiek-virtueel. Wie niet definieert op welke aspecten het fysieke en het virtuele verschillen (naast het aspect van de tastbaarheid) en niet te vergeten op welke aspecten ze daarnaast overeenkomen, blijft gevangen in een beperkt kader. Een ondoordringbare waterscheiding tussen het fysieke en het virtuele sluit ook niet aan op hoe wij leven en ervaren. Alsof wij ons offline-leven leiden in één heldere, tastbare, objectieve fysieke ruimte – beheerst door de natuurwetten – en alsof ons offline-leven geheel daarbuiten, onafhankelijk daarvan plaatsvindt. Wie zijn e-mail beantwoordt of discussieert in een webforum, weet maar al te goed hoe de online- en de offlineruimte niet twee aparte ruimtes vormen maar eerder een soort communicerende vaten. In verbinding met elkaar, overlopend en lekkend in elkaar, elkaar beïnvloedend over en weer. Oftewel, er moet wat fysieks in het virtuele, en er moet wat virtueels in het fysieke
De oneigenlijke verabsolutering van het virtuele lijkt ingegeven door de connotatie van het woord – ‘virtueel’, dat betekent toch ‘onecht’, ’schijnbaar’, ‘denkbeeldig’? Maar bij nader inzien kunnen we het woord niet de schuld geven. De herkomst en het specifieke gebruik van het woord ‘virtueel’ wijzen geenszins in de richting van losraken van de fysieke werkelijkheid.
‘Virtueel’ komt van het Latijnse virtus, ‘kracht’. Inderdaad: onzichtbaar, ontastbaar, niet noodzakelijk feitelijk geactualiseerd, maar wel als potentie aanwezig. Het denken in termen van kracht en potentieel is een onlosmakelijk onderdeel van de klassieke newtoniaanse fysica – daar is weinig onwerkelijks aan. In een andere tak van de fysica, de quantummechanica, circuleert een iets andere betekenis. Virtuele deeltjes zijn deeltjes die zich onttrekken aan de wetten van de relativiteitstheorie, die niet waar te nemen zijn, maar die wel in een te berekenen wisselwerking staan met corresponderende reële deeltjes in hetzelfde quantumveld. Hoewel op de raadselachtige paradoxen van de quantummechanica vele newage-achtige mystieke interpretaties gedijen, is ook hier niks non-fysisch aan. En hoewel in de quantummechanica de waarnemer de gemeten resultaten beïnvloedt, heeft dit niets te maken met de psychische mind-set van de waarnemer.
Een andere betekenis is te vinden in de geometrische optica. Daar is een virtueel beeld een optisch beeld dat wel zichtbaar is, maar niet op een scherm kan worden opgevangen. Zo is het beeld ‘in de spiegel’ cq ‘achter de spiegel’ een virtueel beeld, terwijl een filmbeeld op het witte doek een reëel beeld is. Ook aan de werking van lichtstralen is niets onwerkelijks of non-fysisch. Toch verschuift het letterlijk ’schijnbare’ van licht al gauw naar de figuurlijke betekenis van schijnbaar – en daar is het weer: het onechte, het imaginaire. Maar het schijnbare gaat hier om fysiek bestaande, berekenbare en manipuleerbare lichtstralen.
Volgens Van Dale betekent ‘virtueel’: ‘1. voorwaardelijk, als mogelijkheid aanwezig; 2. schijnbaar, denkbeeldig; 3. (jur.) substantieel (tgov. formeel), uit de aard der zaak.‘ De eerste twee omschrijvingen zijn in feite slordige populariseringen uit de fysica en de optica. De derde omschrijving is juridisch en minder populair. Het leuke aan die betekenis is dat, anders dan bij de twee andere, de weg hier duidelijk openligt naar juist het werkelijke, het ’substantiële’, het ‘uit de aard der zaak zelf voorkomende‘.
Het gaat hier om een expliciete tegenstelling met het formele, het gecodificeerde. Zo kunnen juridische verbintenissen bestaan uit formele, op schrift gestelde akten, maar ook uit virtuele contracten. Een rechter kan ter zake besluiten dat er weliswaar geen formeel contract bestaat tussen koper en verkoper maar wel een virtueel contract, met bepaalde geïmpliceerde rechten en plichten. Als bewijsstuk zijn zulke virtuele contracten niet tastbaar of overhandigbaar, maar wel reconstrueerbaar.
Het is nog niet doorgedrongen in de woordenboeken, maar het woord virtueel heeft ook een specifieke betekenis in het computerdomein. Zo kan een computer een virtueel geheugen of een virtuele harde schijf hebben. Inderdaad: niet tastbaar, niet fysiek aanwezig als hardware maar als software-effect. Je kunt er écht mee werken als zowel je hardware als je software daartoe geconfigureerd zijn. Zo’n virtueel geheugen of harde schijf is nog op te vatten als simulatie, nabootsing, maar voor de computervirtualiteit van het Internet is simulatie geen dekkend woord meer. Daar wordt immers niet alleen nagebootst, daar wordt in de miljoenen interacties tussen hardware, software en menselijk handelen iets gecreëerd wat er eerst niet was. Van simulaties naar representaties en reconstructies, naar reformaties en transformaties. Van hardware, software en menselijk handelen. Van de werkelijkheid dus.
Kortom, waar we de virtualiteit ook zoeken, altijd is zij gerelateerd aan en interacterend met reële, feitelijke verschijnselen. Die verschijnselen kunnen vele gedaanten aannemen – krachtsuitoefening, corresponderende reële deeltjes, lichtstralen, de relationele setting van juridische partijen, hardware en software, menselijk handelen – maar ze maken hoe dan ook deel uit van ‘de’ werkelijkheid.